Vermogensflash

Hervorming erfbelasting

12/03/2018

Op 2 maart 2018 heeft de Vlaamse Regering haar goedkeuring gegeven aan het voorontwerp van decreet tot modernisering van de erfbelasting. De hervorming van de Vlaamse erfbelasting is gebaseerd op twee pijlers. Ten eerste een matiging van de tarieven in de erfbelasting, in het bijzonder voor verkrijgingen tussen broers/zussen en tussen anderen. Ten tweede een aantal noodzakelijke verduidelijkingen teneinde de hervorming van het erfrecht maximaal uitwerking te laten krijgen.



Bedoeling is om het decreet in werking te laten treden op 1 september 2018, samen met het nieuwe erfrecht.

Wij bespreken kort de belangrijkste wijzigingen.

1.       Matiging van de tarieven

Een eerste aanpassing is de matiging van de tarieven die tussen broers/zussen en tussen verdere verwanten/niet-verwanten gelden in de erfbelasting. De wijziging ziet er als volgt uit:

Huidige tarieven

Schijven

Tarief broers/zussen

Tarief anderen

0 € - 75.000 €

30%

45%

75.000 € -125.000 €

55%

55%

Meer dan 125.000 €

65%

65%

Nieuwe tarieven

Schijven

Tarief broers/zussen

Tarief anderen

0 € - 35.000 €

25%

25%

35.000 € -75.000 €

30%

45%

Meer dan 75.000 €

55%

55%

Deze wijziging in tarificatie is ingegeven door de in het nieuwe erfrecht geboden vrijheid om als erflater vrij over de helft van het vermogen te beschikken. Deze vrijheid riskeert dode letter te blijven wanneer een dergelijke toebedeling fiscaal zou worden afgestraft met hoge tarieven in de erfbelasting. Vandaar de verlaging.

Daarnaast wil de Vlaamse Regering ook de fiscale druk op de vererving van goederen aan de langstlevende partnermatigen. Zo wordt in het voorontwerp een voetvrijstelling ingeschreven op de eerste 50.000 € voor roerende goederen die de langstlevende partner verkrijgt. Aan de vererving van de gezinswoning tussen partners wordt niet geraakt. Deze blijft vrijgesteld van erfbelasting.

Ook voor weeskinderen jonger dan 21 jaar worden bijkomende gunstmaatregelen ingevoerd. Er wordt in een voetvrijstelling van 75.000 € voor roerende goederen voorzien én in een vrijstelling op de bij het overlijden verkregen aandeel in de gezinswoning van de erflater.

Ten slotte wordt een gedeeltelijke erfenissprong mogelijk gemaakt. Op heden is het reeds mogelijk om de nalatenschap volledig te verwerpen, zonder dat diegene die in de plaats van de verwerpers komen hiervan fiscaal nadeel ondervinden. Vroeger was het immers zo dat deze laatste minstens evenveel erfbelasting moesten betalen als wat de verwerper zelf had moeten betalen. Dit werd reeds aangepast, waardoor erfbelasting wordt geheven alsof de plaatsvervullers in eigen naam tot de nalatenschap komen. Nu gaat de regering nog een stap verder, door te bepalen dat wie binnen het jaar na het aanvaarden van de nalatenschap (een deel van) de geërfde nalatenschap (of eigen vermogen met dezelfde waarde) schenkt, hierop geen erfbelasting verschuldigd is. Hierdoor wordt een beperkte successieplanning ook mogelijk na overlijden.

2.       Wijzigingen in functie van het nieuwe erfrecht

Naast een matiging van de tarieven, dienden ook een aantal zaken duidelijk te worden gesteld in het licht van het nieuwe erfrecht.

Het nieuwe erfrecht voorziet dat de langstlevende echtgenoot een ‘nieuw of voortgezet’ vruchtgebruik ontvangt op goederen die de overleden echtgenoot heeft geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik. Dit op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al gehuwd was. De vraag die hierbij rijst is of de langstlevende op de verkrijging van dat ‘nieuw of voortgezet’ vruchtgebruik erfbelasting dient te betalen. Een toevoeging aan de wet (artikel 2.7.1.0.2, tweede lid VCF) voorziet dat op deze verkrijging erfbelasting verschuldigd is, tenzij de langstlevende aan dit vruchtgebruik zou hebben verzaakt. Dat de langstlevende op het verkrijgen van het ‘nieuw of voortgezet’ vruchtgebruik wordt belast, valt evenwel te betreuren. Zeker gelet op het feit dat dit onder het huidige erfrecht niet het geval is wanneer de langstlevende het vruchtgebruik verkrijgt op basis van zijn/haar recht op inbreng.

Daarnaast wordt het zogenaamde ‘terugvallend vruchtgebruik’ van erfbelasting vrijgesteld. Op vandaag is het immers zo dat wanneer een goed wordt geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik en de schenker bepaalt dat bij zijn/haar overlijden het vruchtgebruik overgaat naar een vooraf aangeduide persoon, deze overdracht van het vruchtgebruik (op grond van de fictiebepaling in art. 2.7.1.0.3, 3° VCF) aan erfbelasting is onderworpen. In heel wat gevallen vereist dit dus een bijsturing van de planning.

Ook wordt in het nieuwe erfrecht de mogelijkheid ingevoerd om punctuele en/of globale erfovereenkomsten over niet opengevallen nalatenschap af te sluiten. Een globale overeenkomst (of het familiepact) is een overeenkomst waarbij een of beide ouders met alle kinderen afspraken maken over hun nalatenschap. De bedoeling hiervan is dat de ouders samen met hun kinderen vaststellen dat er een evenwicht is wat betreft de schenkingen en de voordelen die de kinderen hebben ontvangen voor de latere afwikkeling van de nalatenschap. Op die manier kunnen toekomstige discussies naar aanleiding van een opengevallen nalatenschap worden vermeden. Punctuele erfovereenkomsten regelen slechts specifieke aspecten van een schenking of erfenis. Zo kan een kind in een punctuele erfovereenkomst bijvoorbeeld afstand doen van zijn vordering tot inkorting.

Het lijkt daarbij logisch dat de erfovereenkomsten in de praktijk maar zullen worden benut, wanneer het vermelden van oude schenkingen geen titel van heffing vormt. Partijen zullen immers niet snel geneigd zijn om dergelijke erfovereenkomsten te ondertekenen wanneer dit aanleiding zou geven tot het moeten betalen van schenkbelasting op schenkingen die bijvoorbeeld voor buitenlandse notaris zijn gebeurd of die niet vrijwillig ter registratie werden aangeboden. De wetgever komt hieraan tegemoet door artikel 2.8.1.0.1 VCF uit te breiden. Door deze uitbreiding zal op het vermelden van schenkingen uit het verleden waarop geen schenkbelasting werd betaald in een erfovereenkomst geen schenkbelasting worden geheven, tenzij partijen dit uitdrukkelijk anders bepalen.

3.       Conclusie

Dat de tarieven in de erfbelasting worden gematigd en verduidelijking wordt geboden over vragen die in de praktijk zijn gerezen omtrent de doorwerking van het nieuwe erfrecht in de erfbelasting, valt zeker en vast toe te juichen. De hervorming gaat volgens ons echter niet ver genoeg. Dat de tarieven buiten de rechte lijn relatief hoog blijven, valt niet te ontkennen.  Vooral de belasting van het voortgezet vruchtgebruik tussen echtgenoten verdient extra aandacht.