Nieuwsbrief november 2017

Blijft beleggen via uw vennootschap interessant?

Zoals u in de voorbije maanden wellicht al hebt vernomen, wordt beleggen via een vennootschap vanaf aanslagjaar 2019 (fiscaal) een stuk minder interessant, althans wat aandelenparticipaties betreft. Dit is een van de gevolgen van het Zomerakkoord. Wat verandert er concreet? En vooral, wat zijn uw alternatieven?



Wat verandert er?

 

Op basis van de huidige wetgeving kan een vennootschap die aandelen bezit (zowel een moedervennootschap die (quasi) alle aandelen van haar dochtervennootschap bezit, als een vennootschap die in andere aandelen belegt) genieten van een gunstige fiscale behandeling voor zowel de ontvangen dividenden als voor de (eventuele) meerwaarden die zij op die aandelen realiseert. Zo wordt momenteel 95% van de ontvangen dividenden vrijgesteld van vennootschapsbelasting middels de ‘DBI-aftrek’. Meerwaarden op aandelen gerealiseerd door ‘kleine vennootschappen’ worden zelfs volledig vrijgesteld. Voor ‘grote vennootschappen’ geldt echter steeds een minimumbelasting van 0,412% (die vanaf aanslagjaar 2019 zou verdwijnen).

 

Het voorgaande geldt uiteraard enkel onder bepaalde voorwaarden, die – kort samengevat – de volgende zijn:

  • De ‘taxatievoorwaarde’: deze houdt in dat de dividenden en meerwaarden hun oorsprong moeten vinden in ‘normaal belaste’ vennootschappen. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan kan noch de DBI-aftrek, noch de vrijstelling van de meerwaarden worden toegepast.
  • De ‘permanentievoorwaarde’: deze stelt dat de aandelen (reeds) gedurende één jaar ononderbroken moeten worden aangehouden. Zo niet, genieten de eventuele dividenden geen DBI-aftrek en worden meerwaarden onderworpen aan vennootschapsbelasting tegen een bijzonder tarief van 25,75%. Op te merken valt wel dat dit bijzonder tarief vanaf aanslagjaar 2021 (wanneer het algemeen tarief 25% is) wordt opgeheven.
  • De ‘participatievoorwaarde’: deze voorwaarde – die momenteel enkel geldt voor de DBI-aftrek – stelt dat de ontvangende vennootschap minstens een deelname van 10% moet hebben in het kapitaal van de uitkerende vennootschap (of een aanschaffingswaarde van minstens € 2,5 miljoen). Deze voorwaarde wordt nu doorgetrokken naar het regime van de meerwaarden op aandelen, waardoor gewone beleggers (die doorgaans geen 10% van de aandelen bezitten), in principe niet langer van de vrijstelling zullen kunnen genieten. Concreet zullen de meerwaarden op aandelen in dat geval belast worden aan het (nieuwe) algemeen of verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting – ook de nu reeds opgebouwde, latente meerwaarden die later gerealiseerd worden.

 

Ter zijde: indien toch voldaan is aan alle voorwaarden, zal in de toekomst evenwel kunnen worden genoten van een volledige vrijstelling van de ontvangen dividenden. De regering is immers voornemens om de DBI-aftrek op te trekken van 95% naar 100%.

 

Actiepunten indien niet aan de participatievoorwaarde is voldaan

 

1. Tot en met aanslagjaar 2018 (i.e. t.e.m. 31 december 2017 voor vennootschappen die per kalenderjaar hun boekhouding voeren) kan men binnen een vennootschap nog belastingvrij meerwaarden uit het verleden realiseren zonder dat de participatievoorwaarde speelt. Verkopen en opnieuw aankopen kan dus een eerste stap zijn (om zo deze meerwaarde alvast belastingvrij te ontvangen), waaraan weliswaar (hoog) oplopende kosten verbonden kunnen zijn.

 

2. Uiteraard kan ook geopteerd worden om het aantal aandelen binnen de portefeuille van uw vennootschap af te bouwen en te kiezen voor andere soorten beleggingen. Zo zijn DBI-beveks niet onderworpen aan deze participatievoorwaarde, waardoor ze hoogstwaarschijnlijk in toenemende mate in heel wat beleggingsportefeuilles zullen worden opgenomen.

 

3. Ten slotte kan u ook beslissen om voortaan buiten uw vennootschap te beleggen. In de personenbelasting blijven meerwaarden op aandelen immers (meestal) belastingvrij, dividenden ondergaan bevrijdende roerende voorheffing. Middelen aan de vennootschap onttrekken om ze verder privé aan te houden is dus een (misschien meer) aangewezen optie (via kapitaalvermindering of terugbetaling rekening-courant).

 

Hierbij is het niet onbelangrijk om te benadrukken dat kapitaalverminderingen nog tot eind 2017 belastingvrij kunnen verlopen (zie onze vorige nieuwsbrief), waarbij de datum van de beslissing van de algemene vergadering doorslaggevend is. De uitbetaling kan dus gerust later plaatsvinden. Houd er wel rekening mee dat bij voorkeur een valabel niet-fiscaal motief moet kunnen worden voorgelegd om tot die kapitaalvermindering te besluiten. Het komt ons voor dat het feit dat beleggen in een vennootschap wordt ontmoedigd door de minister zelf nu net een (niet-fiscaal) motief is om deze kapitaalvermindering nog voor het jaareinde door te voeren?