Nieuwsbrief januari 2018

Opslag voor bedrijfsleider?

Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting werd de regel ingevoerd dat vennootschappen jaarlijks minstens € 45.000 bezoldigingen moeten betalen aan één van hun bedrijfsleiders. Wat houdt deze regel in en wat zijn de gevolgen als de vennootschap onvoldoende bezoldigingen betaalt?



Verminderd tarief vennootschapsbelasting voor KMO’s

 

Vanaf aanslagjaar 2019 wordt het tarief van de vennootschapsbelasting verlaagd van 33,99% tot 29,58%. Vanaf aanslagjaar 2021 wordt het tarief nog verder verlaagd tot 25%. Voor KMO’s wordt het tarief nog verder verminderd tot 20% op de eerste schijf van € 100.000. Een vennootschap kwalificeert voor de toepassing van het verminderd tarief als KMO als ze niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt: minder dan 50 personeelsleden, een omzet van maximaal € 9.000.000 en een balanstotaal van maximaal € 4.500.000.

 

Voorheen was één van de voorwaarden om van het oude verlaagd opklimmend tarief te kunnen genieten de toekenning van een jaarlijkse bezoldiging van minstens € 36.000 aan een bedrijfsleider.

 

Om van het nieuwe verminderde KMO-tarief te kunnen genieten moet minstens één van de bedrijfsleiders van de vennootschap een bezoldiging hebben ontvangen van minstens € 45.000 of een die minstens gelijk is aan het resultaat van het belastbaar tijdperk indien dit lager zou liggen dan € 45.000.

 

Bijzondere aanslag

 

Daarnaast worden alle vennootschappen (en dus niet enkel KMO’s) die niet aan één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging van minstens € 45.000 hebben toegekend onderworpen aan een bijzondere aanslag. Indien het resultaat van het belastbaar tijdperk lager zou liggen dan € 45.000, wordt de minimumbezoldiging ook hier verlaagd naar een bedrag dat overeenstemt met het resultaat van het belastbaar tijdperk.

 

De bijzondere aanslag bedraagt 5,1% voor aanslagjaren 2019 en 2020 en 10% vanaf aanslagjaar 2021, en wordt berekend op het verschil tussen de minimumbezoldiging en de hoogste bezoldiging die de vennootschap effectief toekende aan één van haar bedrijfsleiders.

 

Een afwijkende (optionele) regeling werd uitgewerkt voor verbonden vennootschappen waarvan minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn. Indien deze verbonden vennootschappen in totaal minstens € 75.000 aan één van de gemeenschappelijke bedrijfsleiders hebben toegekend, wordt de bijzondere aanslag niet toegepast.

 

Nemen we even het onderstaande voorbeeld met drie verbonden vennootschappen A, B en C en drie bedrijfsleiders X, Y en Z.

 

 

X

Y

Z

TOTAAL

Venn. A

€ 40.000

-

-

€ 40.000

Venn. B

€ 30.000

€ 5.000

-

€ 35.000

Venn. C

€ 5.000

-

€ 5.000

€ 10.000

TOTAAL

€ 75.000

€ 5.000

€ 5.000

 

 

X is bedrijfsleider in de drie vennootschappen, Y enkel in vennootschap B en Z enkel in vennootschap C. Geen enkele van de drie vennootschappen heeft een bezoldiging van minstens € 45.000 toegekend aan één van haar bedrijfsleiders. Toch zal in deze situatie de bijzondere aanslag niet van toepassing zijn. Bedrijfsleider X vertegenwoordigt minstens de helft van de bedrijfsleiders in elk van de vennootschappen. De bezoldigingen die hij van de vennootschappen heeft ontvangen mogen worden samengeteld en bedragen in totaal minstens € 75.000.

 

De bijzondere aanslag zal ook niet toegepast worden voor startende KMO’s gedurende de eerste vier boekjaren vanaf hun oprichting.

 

Vergoedingen aan bedrijfsleiders – natuurlijke personen

 

Voor zowel de toepassing van het verlaagd tarief en de bijzondere aanslag gaat het telkens om bezoldigingen toegekend aan bedrijfsleiders – natuurlijke personen. Vennootschappen die geen natuurlijke personen hebben als bedrijfsleider/bestuurder kennen immers geen bedrijfsleidersbezoldigingen toe en zullen dus steeds de bijzondere aanslag verschuldigd zijn en aan het gewone tarief van de vennootschapsbelasting belast worden.

 

Inwerkingtreding

 

De bepalingen inzake de minimum bedrijfsleidersbezoldiging zijn in werking getreden op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.

 

De bijzondere aanslag kan oplopen tot € 2.295 (of zelfs € 4.500 vanaf aanslagjaar 2021) en de impact van de niet-toepasbaarheid van het verminderd tarief voor KMO’s tot € 9.180 (of € 5.000 vanaf aanslagjaar 2021).

 

Voldoende redenen om te voldoen aan de minimale bezoldigingsregel en – indien nodig – een opslag toe te kennen aan de bedrijfsleider.